Interview: Jonge Kind-specialist Charlotte Wark

“Oh, je zit er al!” Charlotte is een enthousiaste leerkracht, zoveel wordt in de eerste minuten al duidelijk. Gezeten aan een klein tafeltje, op een klein stoeltje, vertelt ze dat ze heel bewust heeft gekozen voor het jonge kind: “Ik vind het prachtig om met kinderen te werken. De ontwikkeling van de jongste basisschoolkinderen vind ik het meest interessant. Daarom koos ik al op de Pabo voor de afstudeerrichting Jonge kind. En toen ik na de afronding van mijn master Special Educational Needs bij de Markesteen kwam werken, wist ik niet hoe snel ik naar de kleutergroepen moest!”

Voorbereiden op schoolcarrière

Charlotte vertelt dat elke klas ieder jaar de fases van groepsvorming doorloopt: kinderen leren elkaar kennen, ze gaan zich profileren, er ontstaan ongeschreven regels, vriendschappen. “Maar die fases loop je bij de kleuters steeds opnieuw door, omdat er maandelijks nieuwe kinderen bijkomen. Ik vind het zo mooi om te zien hoe de kinderen met elkaar omgaan. De sfeer en je veilig en vertrouwd voelen zijn de basis om verder tot ontwikkeling te komen. Bijvoorbeeld doordat de kinderen elkaar op hun gemak proberen te stellen. Door samen de gouden Markesteenregels op te stellen, bespreken we hoe we met elkaar in de klas om willen gaan.

“Of,” en ze wijst naar de bak waar de pauzehapjes in gaan, “door alvast de beker van een ander te pakken, als die nog aan het opruimen is. Snap je?”

Ik snap het inderdaad. Charlotte bereidt kinderen voor op hun schoolcarrière. Dat blijkt ook uit de methoden waarmee ze werkt. Die gebruiken kinderen tijdens hun hele schooltijd. Een mooi voorbeeld is het werken met onderzoekvragen. Kinderen denken dan na over een bepaald onderwerp. Bijvoorbeeld de herfst. Charlotte vraagt ze wat ze er al over weten. Wat ze zouden willen leren. En wat ze zouden willen doen. De ideeën van de kinderen neemt ze mee in het lesprogramma. In de hogere groepen doen leerlingen dit zelfstandiger dan in de kleuterklassen, maar ook hier is al veel ruimte voor initiatief.

Een ander voorbeeld is het samen lezen. Charlotte wijst naar kaartjes op een white board. “Kijk, aan hand van de kaartjes bespreken we een boek. Ik stel de kinderen vragen en laat ze samenvatten. En we denken hardop na over de betekenis van een bepaald woord.” Modelen noemt Charlotte dat. “Bijvoorbeeld het woord speeltuin: ik hoor het woord ‘speel’ en ik hoor het woord ‘tuin’, speeltuin. Dus een soort tuin waar je in kan spelen. Door begrijpend luisteren te oefenen, bereid ik mijn leerlingen voor op het begrijpend lezen van groep drie.”

Alles op één hoop

Charlotte werkte een half jaar op de Markesteen, toen ze de mogelijkheid kreeg om de opleiding tot specialist Jonge Kind te doen. Dat wilde ze heel graag, want het sloot mooi aan op de verdiepende specialisatie van de Pabo.

Wat leerde je precies tijdens dat specialisme? Vroeg ik. En toen werd de kracht van Charlotte pas echt duidelijk. Want hoe zat het ook alweer? Had ze het stimuleren van initiatief en samenwerking al op de Pabo geleerd? Is haar visie van een sturende in plaats van bepalende docent het resultaat van haar Dalton opleiding? Heeft ze haar kennis over veranderprocessen tijdens haar master opgedaan? En een kind laten voelen dat het er mag zijn: is dat het resultaat van haar specialisme? Charlotte lijkt alle vaardigheden, alle kennis, op één hoop te hebben gegooid. Het maakt niet uit wat ze waar heeft geleerd, alles komt in één vrolijke en gedegen stroom in haar lesaanpak terug.

Ze neemt haar rol serieus. Want sinds ze specialist Jonge Kind is, heeft ze samen met de reken- en taalspecialist, de intern begeleider en de directeur zitting in het kaderteam en denkt ze mee over de processen op school.

Daarnaast zit ze de maandelijkse onderbouwbijeenkomsten voor. Samen met de collega’s van Partou kijkt ze hoe ze elkaar kunnen vinden in activiteiten en thema’s. Deel van de samenwerking is gericht op het verkleinen van de overgang naar de basisschool en de onderwerpen die ze met Partou bespreekt, komen weer terug in de overleggen met de groepen 1 tot en met 3.

Als laatste vraag ik haar naar de mij zo bekende rol van onderbouwleerkrachten: is het inderdaad de taak van een kleuterjuf om bijzonderheden bij kinderen te signaleren? Charlotte vertelt: “Ja, in de kleuterklassen valt nog veel op. Het kind komt binnen en dan zien we dat het heel stil is, of juist heel uitbundig, hoe een kind contact maakt met klasgenoten en met de leerkracht. Maar bijvoorbeeld ook hoe de motorische-, spraak- en cognitieve ontwikkeling verloopt. Door te signaleren, te registreren en contact met ouders te hebben, proberen we ervoor te zorgen dat elk kind zichzelf kan zijn en zich kan ontplooien.”